Short Stories

Therapie

‘Waar in je lichaam zit dat gevoel als je niet kan slapen’ vraagt de jonge psychiater met zijn vervelend rustige stem over de telefoon. 

In een flits besef ik me dat ik moet nadenken over deze vraag. Voel ik op zo’n moment überhaupt iets in mijn lichaam? Door de zachte klank in zijn stem klinkt deze vraag nog zweveriger dan de inhoud ervan doet vermoeden. Ik had niet verwacht dat hij zo’n abstracte vraag zou stellen. Ik stel me voor hoe het is wanneer ik in bed lig en niet kan slapen. Mijn hoofd duizelt. ‘In mijn borstkas’ hoor ik mezelf antwoorden. ‘Is dat ook zo?’ vraag ik me af in mijn hoofd.

‘Je borstkas. 


Oké.’ 

Waarom is hij zo traag? Denkt hij na, of vind hij het raar? 
De gedachten in mijn hoofd en ik lijken zo veel sneller te bewegen dan hij. ‘Ja het trekt’ hoor ik mezelf zeggen terwijl ik me tegelijkertijd afvraag of al deze dingen überhaupt wel de waarheid zijn. 

Ik voel het ineens. De kans is echter groter dat ik mezelf dit nu inbeeld, aangezien ik opzoek ben naar een of ander gevoel waarvan ik niet eens weet of het wel bestaat. Een gevoel waarvan ik niet eens weet of ik het wel echt ervaar.

‘We kunnen vrijdag kijken of we dit gevoel dan misschien kunnen definiëren. 

Soms helpt het mensen om er dan mee om te gaan. 

We doen dan wat oefeningen’. 

‘Ja. Oké.’ Komt er uit mijn mond. 
Schiet nou op; denk ik. Prima we doen oefeningen, geef me ze dan.
Jezus wat ben ik ongeduldig, denk ik weer. 
‘Het voelt alsof ik constant in conflict ben met mezelf’ zeg ik tegen de zachte langzame net iets te geduldige stem aan de telefoon. 

‘Conflict,                                                       oké.’ 

‘Even kijken,                                                 vrijdag kan ik’. 

‘Tien uur zou voor mij uitkomen’. 

‘Ja. Oké. 
Wat gaan we dan doen?’ vraag ik in de hoop dat ik wat duidelijkheid ga krijgen over de oefeningen die de jonge man aan de andere kant van de telefoon zo net benoemde. 

‘Ik regel zo’n vergaderruimte als die waar we de vorige keer in zaten, en dan kunnen we de oefeningen doornemen. 

‘Ja. Oké.’ 

Limbo

‘Veel te vrij wat moet ik met een meisje zoals jij 

Veel te vrij je hebt niemand nodig 

Tot over mijn oren smoorverliefd op jou’

Waar ik de letters verlies? Op weg van het schoolbord naar mijn papier. Daar maak ik groentesoep met letter vermicelli. In die groentesoep zit naast vermicelli ook prei, wortel en lente ui. Lente ui, groeiend in de lentezon op een perfecte lente dag. Een perfecte dag om weer op dit verrekte station te staan. Met die zon in mijn gezicht kan ik me alleen maar afvragen wat Nijmegen nu weer voor me in petto heeft. Het had niets te maken met hier, maar met ons. Daar sta ik dan, mond vol tanden, lege handen. 

Het blikje Fanta dat we gisteravond dronken staat nog op de wastafel. Onderin één van de roze kleurige mokken zitten de sporen van de koffie die ik vanochtend voor je zetten. De korstjes van het brood dat ik niet op at sieren het ontbijtbordje samen met het mes dat jij vol enthousiasme in de pot pindakaas stak. Mijn kussen ruikt nog naar jou. 

            Dacht aan mijn eerste poging een kortverhaal te schrijven. De inzending voor het studenten tijdschrift. Misschien wilde ik wel bij een uitgeven gaan werken vertelde ik je. Het schrijven van een boek, als dyslect. Wie verzint er dan ook zoiets. 

‘Dyslexie, is echt heel interessant. Hoe jij toch een taalgevoeligheid hebt ontwikkeld. 

‘Die haat-liefdeverhouding die ik heb met taal is wel raar, maar vooral vervelend. Het voelt altijd alsof ik faal.’

‘Heb je er wel eens wetenschappelijke studies over gelezen? Misschien helpt dat om er afstand van te nemen. Jij bent niet je dyslexie.’  

‘She stole the keys to my house, 
And then she locked herself out’

‘Daar lig je dan. Een vlees en bloed geworden transcendentie. Jij mensen reparateur. Grappig meisje. Mooie vrouw. Soms kijk ik naar je en denk ik ‘Wat ben je toch allemaal aan het doen. Je bent zo raar.’ Zijn stem zacht, en warm.

‘Hoe bedoel je raar?’ die van mij zeker maar nieuwsgierig naar zijn antwoord. Ookal weet ik wel waar hij het over heeft. 

‘Hoe je jezelf in allemaal situaties lijkt te wringen. Ik kijk er gewoon vol bewondering naar. Het draait allemaal om jou. Je bent het middelpunt geworden. En eigenlijk heb je het er zelf een naar gemaakt.’

Terwijl jij praat alsof je mijn boek schrijft, quote ik een ander: ‘I belive in six imposible things before breakfast’. 

Ik wil bij jou en bij haar tegelijk zijn en dat is onmogelijk.  

Soep is een samenkomst van verschillende ingrediënten, deze zorgen voor een geheel van smaken en kleuren. Dan is er nog de invloed van tijd. Maken wij samen soep? Nieuwe plaatsen, andere smaken, een setje nieuwe mensen, gooi jij in mijn basis van bouillonblokjes. En ik, ik voeg mijn vriendje toe, een voor jou bekende plek, maar een tijd zo anders als die van jou. 

De lente zon in Oslo

Met mijn vingers strijk ik langs, robuuste stenenmuur van de universiteitsbibliotheek, wikkel mijn sjaal om en loop naar de deur. Ik zie ons zitten. Maar het ruikt hier niet meer naar jou. Het ruikt er gewoon weer naar oude boeken waarvan de kaften met plastic zijn omhuld. Ik zoende je in de hal van bibliotheek. Het was warm buiten. Met een heldere blauwe lucht was het zelfs een klein beetje benauwd. De lente geur begon nog maar net door te breken. In die tijd van het jaar staat het kantelraampje in mijn kamer altijd open. Het zit boven de deur naar het dakterras. Dat dakterras is een gekke plek doordat het midden in de stad zit en nergens op uitkijkt. Het is omringt door de achterkanten van gebouwen en ramen waar achter andere studenten kamers zitten. Ik woon op twaalfvierkante meter in het centrum van de stad. Een witte studenten kamer met een eenpersoons ingebouwde hoogslaper. Ik heb de kamer ingericht met blauw en oud-roze details. De muur onder de hoogslaper is een turquoise kleur geverfd.

Elke dag, op het weekend na dan, fiets ik langs haar oude appartement. Het studenten complex waar Leonoor woonde staat op de weg van mijn huis naar de universiteit. Vorige zomer, op de dag dat ik mijn bachelor scriptie in zou leveren, had ik met haar afgesproken. Ze was een chaos, en ik niets anders gewent van haar. Onze gesprekken over mijn bachelor scriptie waren een rare mix van gezelligheid en onderwijs. Haar kamer was in tegenstelling tot die van mij niet zo gecoördineerd op kleur, of opgeruimd. ‘Het is echt een bende, sorry.’ zei ze op de fiets. De meubels leken een verzameling van dingen die ze toch al had. De kleur rood had wel de overhand. Dat kwam vooral door de bank en het vloerkleed. Opzoek naar haar hardlopband trok ze de ondergoed lade van de kast naast haar bed open. Vanaf de bank kon ik alleen maar bedenken hoe het zou zijn om het lef bij elkaar te rapen. Op te staan. Haar te zoenen. Zachtjes op het bed te leggen en haar kleren uit te trekken. Die moed had ik niet. Dus staarde ik naar de boekenkast. 

Tijdens de zomerfeesten was er, zo ver ik me kon herinneren, niets veranderd in haar kamer. Het viel me deze keer op dat ook de racefiets die er stond rood was. Die avond voelde ik me een onzekere puber jongen die voor het eerst probeerde met een meisje mee naar huis te gaan, ook al wist ik hoe haar huis eruitzag. Binnen met de thee in onze handen zaten we op het vloerkleed. Het me lukt haar te zoenen. Een kleine overwinning in mijn hoofd. Ze liet me haar kleding voorzichtig uit trekken. Toen ik er zelfs in slaagde met één hand haar bh van achter los te maken wist ik niet meer wat ik moest doen. Ik had nog nooit aan borsten gezeten anders dan die van mijzelf. “Zullen we naar het bed verplaatsten?” vroeg ze. Ik knikte. We stonden op, pakte onze warme glazen thee en zetten ze op het nacht kastje. Voordat ze begon mij uit te kleden. Haar zachte handen streelde over mijn buik naar beneden. Haar vingers gleden naar binnen. Ze leek ook hierin zo veel meer ervaren dan ik. Boven haar mooie stevige billen ontdekte ik de kuiltjes in haar rug toen ze opstond om naar de wc te gaan. De hele nacht kon ik niet slapen. Keek ik naar haar gezichtsuitdrukking in de schemering. Bestudeerde ik de spulletjes aan de muur boven haar bureau. 

                                                           *

De donkerblauwe nep-leren vliegtuigstoelen voelen als plakkerige, zachte wolken. Het wordt stil. Ik hoor alleen nog maar de ruis van het ventilatiesysteem. Uit alle macht probeer ik de trommelvliezen in mijn oren te laten popen. Ik ben benieuwd naar de inrichting van de kamer, die ik alleen nog maar op foto’s heb gezien. Hoe zou het houten huisje ruiken? Zou mijn schilderij nog aan de muur hangen? Staan de boeken op dezelfde plek in de kast als in Nijmegen? Het lukt me niet om mijn oren te openen of mijn gedachten uit te zetten. Regent het waar jij bent? Het uitzicht vanaf het operagebouw zal vast niet veranderd zijn sinds de laatste keer dat ik er de nacht op doorbracht. Architectenbureau Snøhetta ontwierp het ijsrotsvormige gebouw. Het witte dak gevormd voor toeristen om op te lopen en van het uitzicht te genieten en niet te vergeten net als ik Instagram foto’s te maken. 

Deze keer heb ik de reis gepland. Mijn tas ingepakt; geen groene fleecedeken maar warme kleding en witte t-shirts, omdat zij die zo leuk vindt. Dat betekent dat ik niet, net zoals de vorige keer, met Naomie op het dak van het operagebouw zal slapen. Deze keer kom ik alleen om met haar in haar bed te liggen. Zwaar is mijn tas niet. Voor een dag of vier heb ik niet zo veel nodig. Twee maanden geleden kocht ik het vliegticket, terwijl ze op mijn schoot zat en een drie dimensionale vlinder puzzel in elkaar zetten. Onze afspraken kwam ze ineens wel na toen ze weer in Nederland was. We hadden de hele winter geen contact gehad. Tot ik op 1 januari een ‘gelukkig nieuwjaar’ whatsappje verzond. Via de telefoon raakte ik weer gewent aan haar stem. Elke dag was er wel iets dat me aan haar herinnerde. Zelfs als het eigenlijk niets met haar te maken had. Willekeurige meisje met blonde korte haren, de geur van de universiteitsbibliotheek, het perron van het station en het café daar op de hoek. We telde de dagen af. Scrolde door de foto’s op onze telefoons en vulde de collectie aan. Stap voor stap. Op de roltrap. Sprintje door de aankomsthal. Net op tijd voor de metro. Een vroeger dan gepland. 

*

We hebben kaasfondue gegeten in een kroegje in Nijmegen dat ik blijkbaar al jaren over het hoofd had gezien. Sliepen samen op de boot in de haven waar ze had gewerkt voordat ze verhuisde. Nu de zon weer doorbrak wilde ik ons een tweede kans geven. Het gewicht van een gebroken hart, weet ik uit ervaring, maakt mijn tas niet zwaarder. Het is nu of nooit, besluit ik voor mezelf. Niet bang zijn.

Hand in hand wandelen door de Ooi en langs de Waal als ze in juni weer in Nijmegen is. Delen een tent tijdens het muziekfestival op de Groene Heuvels. Tijdens de zomerfeesten drinken we weer bier met haar vrienden, die mij inmiddels kennen. Vuurwerk kijken op het strandje. De heldere blauwe luchten, het wordt benauwd. We maken ruzie en nog voor de zomer over is, is ze weer in Oslo. De helft van de dingen die je nooit wil vergeten, zul je je niet meer herinneren. Over een paar weken weet ik niet meer hoe ze voelt. De klank van haar stem wordt er een uit vele. Er is niets aan te doen. 

                                                                       *

Als de druppels in de waal vallen klinken ze dan het dan hetzelfde als de druppels die vallen in de fjord?

Het antwoord op de bovenstaande vraag is: nee. 

In de fjorden regent het sneeuw

                                                                       *

Foto’s van een van haar kampeertochten lichten mijn telefoonscherm op toen ik vanmiddag de bibliotheek aan mijn master scriptie schreef. Met mijn vingers strijk ik langs, robuuste stenenmuur van de universiteitsbibliotheek, wikkel mijn sjaal om en loop naar de deur. Al die idyllische uitzichten, onze dates, en telefoongesprekken konden het niet winnen van de winter. De tijd is Oslo is anders. In de zomer gaat de zon niet onder. In de winter komt nauwelijks niet tevoorschijn. 

Op het scherm van mijn laptop staat het word-document dat mijn scriptie moet worden staat nog open. ‘Cruel optimism’ noemt Lauren Berlant dat. ‘… when something you desire is actually an obstacle to your flourishing.’ Ze zegt dat dit te maken kan hebben met eten, een soort liefde, of de fantasie over een manier van leven. Twee zomers lang probeerde ik ‘het vriendinnetje van’ te zijn. De winter brengt telkens verandering in het spel. Ze koelt emoties en laat het water in de rivieren en fjorden bevriezen. Van onder de warme dekens in mijn bed, luister ik naar het nummer ‘Writer in the dark’ van de Nieuw-Zeelandse zangeres Lorde. ‘I let the seasons change my mind’ zingt haar stem. ‘I’ll find a way to be without you, babe’. Hoeveel seizoenen kent Niew-Zeeland eigenlijk? Een korte google search wijst uit dat de lente loopt van september tot november. De winter is van juni tot augustus. Verder staat het land er om bekend vier seizoen in een dag te kunnen hebben. Alsof de tijd daar sneller gaat. Ik heb ineens haast. Snel lees ik het laatste hoofdstuk van ‘nooit meer slapen’ uit. Ik zoek nog sporen van haar. In de kopie van haar lievelingsboek. Een cadeautje. De lege spijker zit nog in de muur naast de spiegel. Elke ochtend een herinnering aan de drie dimensionale vlinder puzzel die er hing. 

Het is niet meer de tijd om afgeleid te zijn door wat had kunnen zijn. Ik bloei in de New-Zeelandse lente.